Een RAW-bestand is meestal twee tot zes keer groter dan een JPEG-bestand omdat het veel meer afbeeldingsgegevens bevat. Bij een JPEG-afbeelding zijn al deze gegevens gecomprimeerd tot een kleiner bestand dat je gemakkelijker kunt delen.
Als je van een RAW naar JPEG gaat, is dit van invloed op de kwaliteit omdat je converteert naar een 'lossy' bestandstype. RAW-bestanden bevatten heel veel details. Bij conversie naar JPEG comprimeer je deze details in een veel kleiner bestand met minder ruimte voor afbeeldingsgegevens.
Veel fotografen maken opnamen in RAW omdat ze met dit bestandstype de meeste details vastleggen. Vaak kun je met een RAW-bestand later de belichting eenvoudig bewerken. JPEG heeft andere voordelen, omdat je door de kleinere bestanden meer opnamen kunt maken en bestanden sneller kunt overbrengen naar een ander apparaat.
Afhankelijk van je camera kan het gebeuren dat foto's die je maakt in RAW, standaard verschijnen als JPEG. Het oorspronkelijke RAW-bestand bestaat echter ook nog. Kies zo mogelijk in de bewerkingsmodus bij de camera-instellingen de optie om RAW als origineel te gebruiken.
Sommige camera's hebben de modus RAW + JPEG, waarbij je kunt fotograferen en opslaan in beide bestandstypen. Er worden dan twee kopieën opgeslagen: het oorspronkelijke RAW-bestand en een JPEG. Je kunt de JPEG-afbeelding dan vooraf bekijken en direct gebruiken. Dit vergt wel meer geheugen, omdat je voor elke foto twee bestanden hebt.